Dat eerste moment waarop je voelt: oké, daar zijn we weer.
Ik werd er oprecht blij van. Ramen open. Jas uit. Even geen weken van grijs weer.
Dus dacht ik: kom, we gaan naar het park. Mijn pup zal dit ook heerlijk vinden.
Dat deed hij ook. Denk ik.
Blijkbaar had iedereen hetzelfde idee. Het park was vol.
Honden waren drukker dan anders. Mensen ook.
Honden die normaal rustig hun rondje doen, bleven maar doorgaan. Mensen die elkaar maanden niet zagen, moesten dat in één middag inhalen. Elke pup was “zó schattig”. Elke eigenaar “zó enthousiast”.
En ik merkte iets bij mezelf.
Ik ben blij met zon. Maar ik hoef er geen mensen bij.
Dat klinkt onaardig. Dat is het niet. Het is eerlijk. Ik kan intens genieten van licht, van lucht, van ruimte. Maar drukte kost me energie.
Mijn pup ook, zo bleek later.
In het moment leek het gezellig. Hij speelde, rende, kreeg aandacht.
Maar thuis zag ik het kantelen. Niet moe van tevredenheid, maar moe van te veel.
Onrustig slapen. Korter lontje. Sneller reageren. En eerlijk? Ik ook.
We zijn nu een paar dagen aan het bijkomen. Meer rust. Meer structuur. Minder prikkels.
Wat me bijblijft is dit: Ik was blij met de zon.
Maar ik had onderschat wat “gezelligheid” met ons doet.
Soms is iets fijn en toch niet goed in die vorm.
Misschien is dat voor mij het echte lentegevoel: kiezen wat bij je past. Niet automatisch meegaan in wat iedereen doet.